Een dode boom heeft plaats voor vele nesten. In de straat mogen die niet blijven staan. FOTO: Wilma Schepers.
Een dode boom heeft plaats voor vele nesten. In de straat mogen die niet blijven staan. FOTO: Wilma Schepers.

Ieder vogeltje wil een eigen huisje

Een aantal jaren geleden kent Nederland een processierupsenplaag. Mezen eten deze rupsen, dus dat heeft veel mensen op het idee gebracht om een nestkastje voor mezen op te hangen in de tuin. Met als gevolg dat er nu haast meer kastjes zijn dan mezen!

VELDHOVEN - De noodzaak voor een nestkastje, of vogelhuisje zoals ze ook worden genoemd, komt eigenlijk van de mens. Normaal gesproken kunnen vogels zelf hun nest bouwen.
Maar de mogelijkheid voor sommige vogels om te nestelen is de laatste 10-tallen jaren sterk afgenomen. Niet alleen het bos, maar ook de stad biedt weinig gelegenheid voor de zogenaamde holenbroeders. Want voor die vogels zijn de huisjes bedoeld.

Naast holenbroeders zijn er ook vrije broeders, zoals de merel en de vink. En iedereen kent natuurlijk de grondbroeders. Denk maar aan de kievit en andere weidevogels. Die worden geholpen door ze tijdens het broeden gewoon met rust te laten.
In de stad worden dode boomstammen weggehaald: veel te gevaarlijk. Maar dat zijn nou juist de plaatsen waar spechten een nestholte kunnen hakken.

Spechtengaten

Het jaar daarop zijn andere vogels aan de beurt om in zo’n spechtengat hun nest te maken. Soms zie je in zo’n dode boom vele gaten, een ware vogel-flat.
In de stad hebben de vogels zich aangepast aan het stadsleven. De soorten die in de natuur allerlei gaten en spleten in bomen en steile oevers als nest inrichten, maken in de stad veelvuldig gebruik van door mensen gemaakte holtes. Denk aan ruimte onder dakpannen en aan in brievenbussen nestelende mezen. Maar in de moderne stad worden huizen en andere gebouwen goed afgewerkt zonder kieren en gaten. De ruimten onder de dakpannen worden volgestopt met isolatiemateriaal. Hier kan geen vogel meer broeden. Door dit alles zijn veel mogelijke nestelplaatsen verdwenen.

Holenbroeders

Mussen gaan graagonderde pannen

De holenbroeders kunnen geholpen wordendoor nestkasten op te hangen. Tot deze groep behoren veel bekende vogels; specht, spreeuw, kauw, ijsvogel, oeverzwaluw en de aan het begin genoemde mezen.
Veel van de nestkasten zijn dan ook afgestemd op deze meesjes. Door wat te variëren met de bouwmaten en de vliegopening kunnen de huisjes ook voor andere vogels geschikt gemaakt worden. Zo wil een koolmees een vlieggat van 32mm en een pimpelmees vraag een 28mm gat. Een ringmus daarentegen wil weer een wat groter gat van 40mm. Ja, het komt precies.

Nestenrovers

Wie zelf een nestkastje wil bouwen, pakt het beste stevig hout: 15 tot 20mm dik. Dat isoleert goed en beschermt beter tegen nestenrovers. Een stokje om op te zitten voor de opening is niet nodig. De nestkast moet wel open kunnen om schoon te kunnen maken in het najaar.
Hang een kastje op een rustige plaats in de tuin, niet in de zon en wat beschut tegen de wind. Dus het beste op het noordoosten gericht. En daarbij geldt vooral: breng de nodige variatie aan. Het is toch ook leuk om eens een gekraagde roodstaart, een bonte vliegenvanger of een boomkruiper in de tuin te zien?



Afbeelding